door Jacob de Hoop
In het boerenkasboek van maart 1939 waren de kalverprijzen een kwart lager dan in januari 1939. Ons nageslacht zal in het kasboek van maart 2001 ontdekken dat er helemaal geen prijzen meer staan genoteerd. Er is geen kalf meer verkocht. Een stille getuigenis van het historische mond- en klauwzeerleed dat ons heden overkomen is. De boeren zijn geïsoleerd van de gemeenschap en opgeborgen achter rode linten en ontsmettingsbaden.
Terug naar 1939. Terug naar een dynamische boeren dorpsgemeenschap. We kijken naar het Hantumhuizen van voor de oorlog met kleine veebedrijfjes als die van Gerrit Bosgraaf. Bij z'n huis naast
de bakkerij van Brandsma had hij een paar koeien op stal. In de herfst kon hij de mest nog korte tijd op de tuin opslaan, maar later in de winter week hij uit naar De Opslag, het gemeentelijk stortterrein bij de Hantumhuistervaart. Zo zag men in de wintermaanden een vast 'mjoks' ritueel waarbij Bosgraaf met z'n kruiwagen de hele buorren doorwandelde, richting De Opslag om daar zijn mest te 'storten'.
Café-eigenaar Pier Steensma, voorheen boer, maakte ook zijn vaste ritten naar De Opslag. De lange Steensma had een lage platte kruiwagen waarop de 'húsketonne' van het café stond, fatsoenlijk afgedekt met een jutezak. "Ik gean eefkes te brulloftsjen" sprak hij daarbij eufemistisch. In het dorp reed geen gemeentelijke tonnenkar. Men was op zichzelf aangewezen. De boeren maakten thuis een gat in de 'rûchskerne' (mestvaalt). Maar de burgers moesten zelf de ton wegbrengen en legen.
Kees en Fokje Cahais hadden dit impopulaire klusje toebedeeld aan hun jongens.
Cahais was door de week weg met de baggermolen van Hidde Vonk. Als hij vrijdags laat thuis kwam, stond vaak de ton tot de rand gevuld nog op z'n vaste plek. Cahais hanteerde op dit punt een consequente gedragscode in de opvoeding: De jongens werden dezelfde avond nog van hun bed gelicht om de ton te legen.
Op het 'stalt' bij de vaart, werd de ton nog even weer omgespoeld. Dat had overigens geen gevolgen voor de volksgezondheid. De dorpsjeugd gebruikte 'it stalt' bij mooi weer ook als duikplank tijdens het zwemmen.
Nut en onnut van nuts
In de wederopbouwjaren na de oorlog kwamen er meer nutsvoorzieningen naar het dorp. De meningen waren verdeeld over de toepassing van de waterleiding. Sommigen betreurden de aanleg van toiletpotten met stortbakken vol kostbaar schoon water. "Je moatte no sels foar it pisjen betelje."
Anderen wilden zo gauw als mogelijk de ton vervangen door de luxe van 'sa'n elektryske skiterij'. De andere nutsvoorziening, het werkelijke elektrisch, stond onder toezicht van fietsenmaker Ate Tienstra. Hij heeft de fietsenmakerij overgenomen van zijn ouders Roel en Trien en vervolgens uitgebreid.
Bij stroomstoring fietste Ate naar de Boate Winia Hoeke (bij Tilma), waar het transformatorhuis stond. Daar kon hij de stroomtoevoer naar Hantumhuizen uitschakelen. Om vervolgens met zijn grote klimschoenen met ronde haken de stroompaal in te klimmen.
De aansluiting op het elektrisch was voor Wiebren en Teatske van Duinen reden tot aanschaf van één van de eerste radio's in het dorp. Wiebren had een klein boerenbedrijf (waar nu Doeke Terpstra woont) en was tevens de plaatselijke gediplomeerde veeverloskundige. Met de radio in de vensterbank schoolden groepjes dorpsbewoners samen bij Wiebren onder het open raam. Onder de indruk van de techniek snoof Geert Linthof op een herfstige dag tijdens een uitzending met muziek: "Hoe is't mooglik net?! Hoe krije se it yn de wyn op!"
Linthof kon zich geen radio veroorloven. Hij deed werkzaamheden bij de plaatselijke boeren en legde de basis voor een eigen middenstandsbedrijf. In zijn kleine bûthúske verkochten de dames Linthof groenten. Het was de eerste 'groentezaak' van het dorp.
Later heeft zoon Teun dit voortgezet en is een echte groentewinkel in Hantum begonnen. Linthof woonde naast dorpstimmerman Teade de Jong. Verderop was de smederij van Geertsma met zijn zoon Hendrik. Het smeden en paarden beslaan was het hoofdbestaan. Er waren ook twee dochters, Sibbeltsje en Afke. Afke was gehandicapt en zat vaak buiten in een rolstoel, terwijl de dorpskinderen rondom haar aan het spelen waren en met haar praatten.
Economisch
De Hantumhúster gemeenschap draaide in die vooroorlogse jaren nog volop op de landbouw-economie. De boeren waren belangrijke werkgevers. Pas na 1947 is het aantal boerenarbeiders snel gaan dalen. Vanaf 1947 tot 1960 zakte het aantal boerenarbeiders in Friesland met een derde van 200.000 tot 124.000 mensen.
De reeds genoemde Hidde Vonk onderscheidde zich met meer interregionale bedrijfsactiviteiten. Vonk had een timmer-/aannemersbedrijf. Daarnaast exploiteerde hij de reeds genoemde baggermolen, die 's winters voor de wal lag in de Hantumhuistervaart. Hij nam baggerklussen aan tot ver in het Groningerland. De baggermolen bracht hem ook grote klussen buiten de eigen gemeenschap. Zo getuigden decennia lang de oude sluisdeuren bij Dockumer Nieuwe Zijlen van waarlijk Hantumhuister vakmanschap.
Volgende keer meer historie in Hantumhuister perspectief
|
|
 |