Lānbourevoluusje


De knoop van 'Jan Ploegje'



 

Jaargang 24 - nr. 6
oktober 2001

 Inhoud 

 HOME 
door Jacob de Hoop

De landbouwmechanisatie bracht een werkelijk grote ommekeer in onze boerengemeenschappen. De prilste vormen van mechanisatie begonnen in ons land halverwege de negentiende eeuw. Zo werd een Amerikaanse hekeldorsmachine in 1846 voor het eerst aan de boeren in het Noorden getoond, in Groningen. In onze contreien was het een eeuw later niemand minder dan Jan van der Ploeg (Jan Ploegje) die met de mechanisatie het voortouw nam. Hij kocht een spuitmachine.

Het was kort na de oorlog, de wederopbouw. Hantumhuizen was een dynamische boerengemeenschap met kleurrijke figuren als pake Pieter (Soorsma). Een oude kromme man alleen, die in huis, in een stoffig kamertje naast zijn woonkamer aan de Louwbuorren vlas braakte. De schooljeugd kwam bij hem wel 'hjidde' halen, gebraakt vlas, waar ze proppen van kauwden voor het 'bossjitten' met een uitgeholde vlierboomtak. En de sterke verhalen werden verteld op het būthśsbankje achter de vier koeien van schoenmaker/veehouder Schelte Sijens. Bij hem werd 's avonds door dorpsgenoten gekaart.

Scepsis
De economische spil van dit Hantumhuizen was al eeuwenlang de landbouw en in die landbouw ging het nu snel veranderen. Dat drong echt tot de mensen door toen Jan Ploegje als eerste een door het paard getrokken spuitmachine kocht waarmee de aardappelen konden worden bespoten. Het beeld van boerenarbeiders op rij door het gewas, groen van verwaaide sproeistof, met een spuitbus op de rug, werd op slag historie. De machine, een ijzeren ton, met een door de wielen aangedreven pomp, was een mirakel. Het hele dorp liep uit en stond op de weg of op de rand van het land te kijken. Er was uiteraard ook scepsis. “It hiele lān wurdt fernield, de hynders traapje gatten yn it jierappellof.”

Colorado
Maar Jan Ploegje had de primeur en werk was er genoeg. De strijd tegen phytophtora, de gevreesde aardappelziekte werd toen ook al volop gevoerd. Bovendien moest er worden bijgemengd. Want grote angst was er voor de oprukkende coloradokever. Die angst was in de hele gemeenschap voelbaar. Vanuit de overheid werd aangedrongen op een felle bestrijding. Men vreesde het onbekende en hield rekening met Egyptische plagen waarbij gehele aardappelvelden werden kaalgevreten. De kevers spoelden ook aan op de Noordhollandse kust. Schoolkinderen werd daar gevraagd na schooltijd op het strand de kevers op te zoeken. In Wierum zijn ze nooit gevonden. Wel was er regelmatig een verhaal/gerucht: “se hawwe der ien by Nes yn de jierappels fūn”.

De spuitmachine, hij was tijdens Simmer 2000 te zien op een foto, werd beurtelings bestuurd door Jan Ploegje en zijn medewerker Willem Cahais. Onder het spuiten rookten ze vele sigaretten. De sjekjes werden met groene vingers gedraaid en hadden een zoete smaak...

Knoop
Jan Ploegje zette door en kocht ook de eerste trekker, een blauwe Fordson. En tevens een door de trekker getrokken zelfbinder, die graan afmaaide en zelf in schoven kon binden. Werk dat altijd door vrouwen was gedaan. Het was een wonder. Vooral het feit dat een machine een knoop kon leggen. Het hele dorp liep er weer voor uit. En vooral die knoop. Allemaal met de neus er bovenop. Vaak werd gevraagd: 'Doch nochris eefkes wat stadicher'. En floep daar was er weer een knoop. Met de trekker kwam ook het elektrisch en kon er bij mooi weer dus ook in het donker worden geoogst. De schoven bleven nog wel op het veld en werden in 'stūk' gezet. Later werden ze thuis in de schuur gebracht. En wanneer de schuur vol was of bij de kleine boeren geen ruimte was, werden ze buiten in een 'skūne' opgezet: Op een ondergrond van takken werden de schoven met de aren naar binnen, in een rondje gelegd en vervolgens op afwateren schuin naar boven opgestapeld. Een precisiewerkje, met uiteindelijk een paradijselijk oord voor muizen.

Terskje
En dan was het wachten op Ime de Haan van Holwert. Wanneer die met de spectaculaire grote tersk(dors)machine het dorp introk, was het feest. Dagenlang trok de karavaan van dorsmachine, pers en stoomtractor in het dorp van boer naar boer.

In de schuur werd steeds eerst de dorsmachine op houten klossen gezet en uitgebalanceerd. Vervolgens werd de pers voor het stro opgesteld en met een band aan de dorsmachine gekoppeld. De stoomtrekker werd gekoppeld aan de pers en reed achterwaarts naar buiten, om zo de aandrijfband strak te trekken. Ook deze trekker werd dan met blokken vastgezet. En dan kon het spektakel met veel leven beginnen te draaien.

Twee of drie man gooiden vanuit de 'golle' de schoven naar de man op de dorsmachine. Die had een mes, met een touwtje aan zijn pols vast, waarmee hij de schoven kon lossnijden. Aan de machine hingen afgepaste touwtjes, waarmee de katoenen graanzakken werden dichtgeknoopt. Ze werden tevens gewogen op de bascule. Het kaf werd weggeblazen naar de zolder of naar buiten op een bult. Het stro kwam in de pers en werd naar beneden gedrukt met een voor de kinderen lijkende ja-knikkende paardekop. Iedere keer als de kop weer omhoog kwam volgde een klap van de pers. Achter de pers werd door twee man ijzerdraad door het stropak gestoken. Die grote pakken werden vervolgens door een drietal arbeiders op de rug naar boven in de schuur gebracht. Er was geen transporteur. Ze liepen met de punt van een katoenen graanzak over het hoofd en de rug, bij de trap op naar boven. Feest was het, dagenlang, totdat de ijzeren karavaan in wolken van stof vertrok. Met een leger aan arbeiders er achteraan, allen op de fiets.

Volgende keer meer landbouw in historisch perspectief.

 
 Inhoud 

 HOME