Reünie op 26 mei 1979

In sneltreinvaart door de historie

Hantum is al een oud dorp, waar rond het jaar 1000 al zoveel mensen gewoond moeten hebben dat het zin had een eigen kerk te bouwen.
Van die vroege bewoners weten wij vrijwel niets. Slechts enkele gebruiksvoorwerpen, die bij de afgraving van een gedeelte van de dorpsterp te voorschijn kwamen zijn de stomme getuigen van hun aanwezigheid.

Vanaf 1400 begint het voor wat betreft de historie van Hantum voor ons wat te dagen. Zo is er in een oorkonde van 1431 sprake van "Rordismahuis". In een stuk uit 1445 duikt voor het eerst de naam van een Hantumer pastoor, heer Jella, op.

In het begin van de 16e eeuw kwam er in Friesland een min of meer geordende administratie op gang en worden de gegevens voor ons overvloediger.
Van het Hantum van 1511 weten wij dat de kerk toen al bediend werd door twee priesters, de pastoor en de vicaris. Ook maken wij dan voor het eerst kennis met de middenstand in de personen van de wever Folkert en de kleermaker Sijbren.
Hantum was toen evenals nu een overwegend agrarisch dorp het belastingregister van 1511 noemt de namen van verschillende plaatsen als Habbema, Scaepland, Tzalingen en Hellingen.

Ruim 30 jaar later leren wij de namen kennen van de beide geestelijken, pastoor Johannes Henrici en vicaris Siuurdt Hommesz. Een register uit het jaar 1581 maakt ons bekend met Hantums eerste schoolmeester, Gosse Claesz.

In genoemd jaar voltrok zich de overgang van de oude roomse religie naar de nieuwe leer der hervorming. Het was daarvoor nodig om alle kerkelijke bezittingen en inkomsten nauwkeurig op papier te zetten. Uit die opgave leren wij tevens iets meer over het Hantum van die dagen. Het is dan duidelijk al een centrum voor zijn omgeving, waarin twee smeden, twee kleermakers en een wever hun kost konden verdienen.
Als eerste fabrikant zouden wij de gortmaker Jelle kunnen beschouwen.

Kerkelijk hadden zich op het einde van de 16e eeuw grote veranderingen voltrokken. Pastoor en vicaris hadden plaats gemaakt voor de reformatorische predikanten, van wie Hermannus Avercamp en Engelbertus Stulenius de eersten geweest zijn.

In het begin van de 18e eeuw telde Hantum een 250 à 300 inwoners, die de ongeveer 50 huizen bewoonden, die het dorp rijk was.

In en rond het dorp lagen de 21 grote stemhebbende boerenplaatsen. Slechts weinige daarvan waren in handen van dorpelingen, meestal waren eigenaren elders wonende edellieden, zoals de Aijlva's en Burmania's.
In vergelijking met wat wij nu gewend zijn, waren de bedrijven niet groot. In 1749 telde de gehele veestapel in het dorpsgebied van Hantum slechts 73 koeien en 16 rieren. Voor de bewerking van de in totaal 905 pondematen bouwland gebruikte men 97 paarden.

De Franse tijd bracht grote veranderingen. De adel verdween en een groot deel van de zaten kwam in handen van de voormalige pachters. Bestuurlijk veranderde er ook het een en ander. Westdongeradeel werd door de Franse administratie gesplitst in drie kleinere gemeenten en bij die regeling werd Hantum de hoofdplaats van de nieuwe gemeente Ternaard. Die toestand heeft maar enige jaren geduurd en in 1816 werd de oude toestand weer hersteld.

Tegen het einde van de 19e eeuw was er op kerkelijk terrein in geheel Nederland de nodige beroering en daar ontkwam ook Hantum uiteraard niet aan, al loste het dorp de problemen op eigen wijze op. De doleantie, die elders zoveel strijd en verbittering te zien gaf, heeft in Hantum geleid tot een na onderling goed overleg in vrede en vriendschap uiteen gaan van beide betrokken kerkelijke groeperingen.

Als wij in vogelvlucht de historie van Hantum overzien, dan rijst voor ons op het beeld van een zeer op eigen zelfstandigheid gesteld dorp, dat intern een ruime mate van verdraagzaamheid kende.
Moge het zo blijven.

• • • •  Home | Oud & Nieuws | E-mail  • • • •