Hantum in het begin van de 20e eeuw
Deel 1
Ik zal een rondgang maken door 't dorp van die tijd en alle toen bestaande woningen en inwoners beschrijven voor zover ik ze me kan herinneren.
Vanaf de hoek bij de straatweg langs 't kerkhof noem ik in de Grote Steeg dan eerst 'n klein huis - 't staat er niet meer - met een schoorsteen waarop een ronddraaiende z.g. "Gek". Hierin woonden Johannes Draijer en zijn gezin. Ik herinner me één zoon Wybe en twee dochters Geertje (Gjet) en Tsjitske.
Wybe was in de herfsttijd als rietsnijder bezig voor mijn vader op stukloon. Gjet trouwde met 'n Holwerder, Jacob Schaap.
Als ik in later jaren de naam las van de bekende zanger Wybe Draijer dan dacht ik altijd aan Hantum.
Naast dit huisje stond een huis dat in tweeën bewoond werd. Aan de Grote Steeg-kant woonde Ids Dijkstra en zijn vrouw Maria Theresia Beijer Wij zeiden Idse Mietsje. Drie kinderen waren er: Sake, die later bij het onderwijs was, Trijntje en Geertje.
In het andere deel, op 't westen uitziend, woonde toen Sybren Elgersma. Hij werd "Van Houten" genoemd (een soort scheldnaam).
Later woonde hier "lytse" Teake Westra, een oudgediende van de marine die in "De Oost" was geweest. Hij had in Hellevoetsluis gewoond. Zijn eerste vrouw was, meen ik, aldaar gestorven. Twee jongens uit het eerste huwelijk heb ik gekend: Teake, Theo genoemd, en Jan. Jan woonde later te Zaandam en hem heb ik vele jaren wel gesproken.
Aan de andere kant woonde naast ons 't gezin van bakker Velink. Hier waren acht kinderen, bij ons zeven. De vrouw van Velink, "Klaas Adriaan" werd ze genoemd, was een dochter van Jan Piers de Graaf uit de herberg aan de andere kant van het dorp. Haar woord had bij sommigen nogal wat "gezag". Ik herinner mij dat oude Steven van der Meulen, de bode op Dokkum met de hondekar - hij was ook koster in de kerk - als hij zijn gelijk in een kwestie bevestigd wilde zien, altijd sprak: "Klaas Adriaan seit 't ek". En dan was 't uit, verder geen commentaar.
Dan kwam 't snoepwinkeltje van "Jelle Maaike". Jelle de Vries z'n vrouw, een zuster van "lytse" Ids Dijkstra, die al genoemd is. Er was één dochter die lichamelijk gebrekkig was, "Griet Maaikes".
Hieraan grensde een woning bewoond door Ate en Aal en hun drie dochters. De achternaam kan ik mij niet herinneren. "Ate Aal"
was baker. Bakster zei men. (Volgens meester Pennewijs uit de geschiedenis van Woutertje Pieterse is baker een naam voor een mannelijk onderwerp volgens de taalregel: woorden eindigende op "er" zijn mannelijk. Bakker, makker, rakker, baker, maker, raker.)
De drie dochters hadden op de zondagavond nog al eens bezoek van jongelingen uit andere dorpen b.v. uit Holwerd.
Ik heriner mij dat Ate op een zondagavond de gal overliep en 't gezelschap de straat op joeg, uitroepende: "It is hjir gjin hoerehûs!"
Op de hoek van de Grote Steeg - naast de bakkerij - toen van Haye van Dijk, woonde een alleenstaande man op jaren. Hendrik Bouma. Deze was een verwoed hengelaar en kon sterke verhalen doen. Hij kende het visserslatijn best.
Dan kwam in dit "woonblok' de bakkerij en de herberg, destijds bewoond door Haye van Dijk en Trijn. In dit gezin waren vijf kinderen: Jan, Gerrit, Douwe, Maaike en Aafje of Afke. Later woonden hier mijn oom en tante Diemer Lodewegen en Wietske van der Zee. |
|
 |