Hantum in het begin van de 20e eeuwDeel 7Achter de vrij grote tuin, rond het woonhuis van Baas Albert Sinnema, kwam het oude "spultsje" van Pieter Boetsma. Boetsma was vlaskoopman onder meer. In het "bûthús" werd enig vee gehouden. Voor de "stjelp" was een vrij grote tuin met vele vruchtbomen, die in mijn jeugd nogal eens in de belangstelling stonden van de jongens. Wij waren wel eens bezig met het ongeoorloofde "hofzingen" in de herfst als de appels en peren rijp waren. Ik herinner mij nog, dat naast de "stjelp" van Boetsma een groot hok stond, in gebruik bij De Graaf (Jan) die aan de overzijde der straat een herberg dreef. In latere jaren is daar een veldwachterswoning gebouwd, waar veldwachter Bouma in 1914 woonde. Daarnaast stond in die tijd een klein huisje, waarin woonden Jan Hayes van Dijk en zijn vrouw Maaike. De ouders van Haye van Dijk, die in de eerder genoemde herberg woonde. In 1904 werd op deze plaats het nieuwe huis gebouwd voor Haye van Dijk en zijn gezin, toen de herberg was verkocht aan Diemer Lodewegen. Achter het oude huisje van "Jan Hayes Maaike" stond nog een huisje. Het "Eine hûske" werd het genoemd; daar woonden in die tijd Sjoerd de Jong en Minke; later Anne Banga en "Sjut", zijn vrouw. Dan volgde een dubbel bewoond huis. Achteraan woonde toen Doeke Sijens en zijn vrouw "Doeke Boat" - de ouders van Jan Doekes Sijens, die een bodedienst op Dokkum had via Brantgum - Foudgum - Bornwerd v.v. zoals achterop de wagen stond verrneld. En ook van Gosse en Lammert die, naar ik meen beiden bij de politie dienden. Gosse was een tijdlang "0nbezoldigd" of "stille" te Hantum. Zijn naam werd eerder in mijn jeugdherinneringen genoemd. Voor woonde, naar ik meen, destijds de weduwe Beijer. De moeder van reeds eerder genoemde Idze "Mietje" en "Mina" - officieel geheten Maria Theresia en Wilhelmina Beijer. "Cato Gjetsje" was ook de moeder van Hendrik Beijer die vele jaren als "Oostganger" in het voormalig Nederlands-Indië verbleef. Levendig herinner ik me nog diens thuiskomst na volbrachte diensttijd: "Hendrik myn jonge kom yn 'e hûs, de kofje is ré en de bôle stiet op 'e tafel!" De vader van Hendrilk heb ik niet gekend, zijn voornaam is mij ook niet bekend. In het zonnetje op een stapel metselsteen zaten twee oude mannen in druk gesprek: oude Jan Haye van Dijk en oude Hedzer Dijkstra. De vader van "lytse" Ids Dijkstra, onze buurman uit de Grote Steeg, die later als wegwerker in dienst der gemeente trad. Jan Hayes sprak over het nieuwe huis in aanbouw en Hedzer vertelde van de 10-daagse veldtocht, die hij had meegemaakt naar werd gezegd. Ze waren allebei stokdoof, maar redeneerden er druk op los. Dan kwam het huis bewoond door Theunis van Dijk en zijn vrouw Dieuwke. Inwonend was een broer Meinte van Dijk die brievengaarder was. Het hulppostkantoor was in mijn prille jeugd in dit huis gevestigd. Theunis van Dijk had vele dochters. Ik herinner mij Sijke - getrouwd met Hense Dorenbos - huisschilder en een tijdlang postbode. Dit gezin komen we in dit verhaal nog tegen. Dan Doetje - die een tijlang mijn moeders hulp was. Zij trouwde later en vertrok toen naar Groningen. Voorts Jeltje, die naar ik meen ongehuwd is gebleven. In later jaren wias zij brievengaardster te Brantgum. En dan nog Trijntje, die getrouwd was met Wytse Hoogeveen, die als timmermansknecht een lange tijd bij mijn vader in dienst was. Bij de bespreking van de oude boerderij op de terp, bewoond door Pieter Westra heb ik over het hoofd gezien, dat in het voorste deel van de woning vóór deze boerderij destijds het gezin van Wytse Hoogeveen woonde. Er waren vele kinderen. Een der jongens had de bijnaam "Generaal Duller" het was in de tijd der Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog. |
|