Molenhuis / Veestalling

Het huis bij de molen was niet groot, hoewel het in verhouding tot andere arbeidershuizen nog niet eens klein te noemen was. Zo was er een woonkamer; die alleen in de winter gebruikt werd. 's Zomers woonde men in het kamertje op het zuiden (zomerkamertje) en werd de grote kamer, behalve bij visite, niet gebruikt. Het huis was heel licht gebouwd; de waren muren halfsteens. Het dak was wel weer beschoten; wat bij andere huizen lang niet altijd het geval was. Op de plattegrond zijn de voornaamste maten aangegeven zodat de grootte van het huis daar wel uit blijkt. Ook zijn de voornaamste vertrekken daarop benoemd. Kleine vertrekken zoals kasten, o.a. tussen de bedsteden, de trap naar de zolder en dergelijke zijn met cijfers aangeduid.

Plattegrond molenhuis [Klik een cijfer voor de verklarende tekst]

1

Voordeur

2

Achterdeur

3

Trap naar de zolder

Deze trap scharnierde aan de zolderbalk en werd overdag aan het benedeneind opgetild en met een haak aan de zolder opgehangen zodat hij niet in de weg stond.

4

Aanrecht

Heel klein maar er was tenminste een aanrecht. Eten koken werd op een petroleumstel gedaan, of in de winter op de kachel omdat die toch brandde en het zo minder petroleum kostte.

5

Bergkast

Dit was een vrij grote kast met één deur.

6

Schuilplaats – Jodinnekastje

Ten tijde van Durk Visser als molenaar werd dat kastje het ‘Jodinnekastje’ genoemd. In de oorlog 1940–'45 was er namelijk een jonge joodse vrouw op de molen ondergedoken. Bij gevaar of wanneer er onverwachts iemand kwam die dat niet mocht weten verborg deze vrouw zich in dat kastje. Een mens kon er net rechtop in staan.
Het kastje viel niet op omdat het geen deur had. Een scheidingswandje tussen de grote en het kleine kastje kon verwijderd worden en zo kon men door de bergkast (6) heen in het zgn. Jodinnekastje komen. Als de Duitsers dan in die kast keken was het daar natuurlijk behoorlijk donker en zo zag niemand dat het eindschot niet het einde van de grote kast was maar de scheidingswand tussen het 'Jodinnekastje' en de grote kast. (Op de plattegrond nummer 5 en 6.)

7

Schuilplaats

Onder de bedsteden was, zoals in ieder huis met bedsteden gebruikelijk, de kelder. Om in de kelder te komen stond er een trapje van drie treden in. Aan het begin van de kelder en achter het trapje, was onder de vloer van het achterhuis een schuilplaats uitgegraven. Ook hier kon iemand zich bij gevaar verstoppen. De ruimte werd door een houten schot afgesloten en zo uitgevoerd dan men moest weten dat het verwijderd kon worden. Aan het schot was niet te zien dat uitgenomen kon worden.
Op de tekening is deze schuilplaats met onderbroken lijnen aangegeven. Deze schuilplaats was wat lengte en breedte betreft groter dan het kastje maar wel heel plat; zelfs zitten kon niet. Wie zich daar moest verbergen moest liggen. De kelder was namelijk niet diep uitgegraven, zo'n 60 ŕ 70 cm, omdat er anders het grootste gedeelte van het jaar grondwater op de vloer zou staan. Doordat de onderkant van de bedsteden een 60 cm boven de vloer lag had men in de kelder ongeveer 1,25 m hoogte. Deze schuilplaats mistte echter de extra hoogte van de bedsteden en was daarom niet hoger dan een 60 cm.

8

Oploopkast

Dit was een klerenkast tussen de bedsteden in. Door een smal deurtje en bij een trapje van een paar treden opgaand kwam men in deze kast. Hierin werden de zondagse kleren weg gehangen. De vloer van deze kast maakte deel uit van de bovenkant van de kelder./p>

9

Servieskast(je)

Dit kastje was in de oploopkast ingebouwd. Het kastje was ongeveer een 40 cm breed en een 25 diep en had een eigen deur.

10

Schoorsteenmantel

11

Kachel

De kachel stond in lente en herfst bijna tegen de schoorsteenmantel aan. Een korte pijp met elleboog was onder in de schoorsteenmantel gestoken. In de winter werd de kachel meer naar het midden van de kamer verzet. Er werd dan een veel langere kachelpijp gebruikt die met een elleboog vanaf de kachel, tot een 25 cm vanaf de zolder, omhoog stak. Daarna ging de pijp (weer met een elleboog) evenwijdig aan de zolder naar en in de schoorsteenmantel. De kachel meer midden in de kamer was om er zoveel mogelijk warmte van te krijgen en ook de hete kachelpijp gaf warmte af. De brandstof voor de kachel was hout, turf en steenkool, zgn. eierkolen omdat die het goedkoopst waren.

12

Regenwaterput

De inhoud hiervan was ongeveer twee kubieke meter. In droge zomers was dat lang niet voldoende en moest er water uit Hantum gehaald worden.

 

In begin 1962 is de molenaar Dirk Visser met zijn gezin naar Hiaure verhuisd omdat het toen niet meer noodzakelijk was bij de molen te wonen doordat de schroef toen door een elektromotor aangedreven werd. Voor malen met windkracht moet men bij de molen wonen wat voor malen met behulp van een elektromotor niet per se nodig is omdat die altijd kan draaien.
Het huis is in de zomer 1962 afgebroken. De jeugd uit Hantum was daar in de lente al mee begonnen en om verder vandalisme en schade aan de molen – met name in brand raken – te voorkomen heeft de polder ‘Oost en Westdongeradeel’ de woning afgebroken.

Foto uit 1936, genomen vanuit het oosten, geeft een beeld van de molen met de woning zoals het er in de oorlog en daarna ook uitgezien heeft. Deze foto geeft trouwens een goed beeld van de hele tijd dat het huis er gestaan heeft.

Veestalling

De veestal stond een vijf meter westelijk van het huis. Er was plek voor 4 koeien. Tegen de stal aan was nog een klein hokje gebouwd voor opslag van zaken die voor de verzorging van het vee en dergelijke nodig waren. Meestal werden er één of twee koeien, een vaars en een of twee kalveren gehouden. Hooi moest buiten in een mijt opgeslagen worden.
Op de onderste stal – eerste stalplek voor koeien vanaf de deur gerekend – stond de privaat-ton. Zoiets als tegenwoordig een wc was er niet. Deze veestal heeft er tot en met 1978 gestaan.

Home | Inleiding | De molen | Molenaars | Molenhuis / veestalling | Pad naar de molen | Nutsvoorzieningen | Groentetuin | Foto-overzicht