Kalma had al gepubliceerd over politiek-culturele vraagstukken met betrekking tot Friesland, zowel in een Friestalige brochure, Presidint Masaryk en it Nasjonale (1935), als in toenemende mate in Tijd en Taak. Hij had belangstelling voor taal en geschiedenis van Friesland, was lid van het Sosiael Demokratysk Frysk Forbân, dat culturele verheffing van het volk voorstond, en zal ongetwijfeld een taak voor zichzelf hebben gezien in het deelnemen aan de culturele beweging in Friesland, die juist in 1938, met de oprichting van de Fryske Akademy, haar intellectuele kracht toonde. Kalma behoorde met honderd anderen in september tot de eerste (gekozen) leden. Zo werd de keuze voor een Friese gemeente gemaakt, een hele kleine, die ruimte voor ander werk vrijliet.

   Al in oktober verscheen het eerste van een reeks kranteartikelen over historische kerkgebouwen in Friesland, waarin hij liefde voor deze toen soms nog met afbraak bedreigde monumenten wist op te wekken. In 1941 werden deze stukken bewerkt en gebundeld in het boekje By ús âlde tsjerken lâns

   Maar spoedig zou het leiding geven aan de Friese Beweging veel van zijn werkkracht vragen. Tegelijkertijd raakte hij, vooral kort na de oorlog, steeds meer bij de politiek betrokken.

   Nadat hij in 1939 gekozen was tot bestuurslid van het Selskip foar Fryske Tael en Skriftekennisse, werd hij op de jaarvergadering van 24 juli 1940 namens het Selskip medegedelegeerde voor overleg met het Kristlik Frysk Selskip om de mogelijkheid van de vorming van een overkoepelend Selskip te bespreken. Dat overleg leidde ertoe dat reeds een week later besloten werd niet in enigerlei vorm te fuseren, maar een Trijemanskip op te richten, en dat samen te stellen uit Kalma namens het Selskip (hij was op de valreep gekozen, nadat dr. D. Kalma, aan wie eerst was gedacht, medegedeeld had dat hij zich bij de Duitsgezinde Fryske Folks Party had aangesloten), E.B. Folkertsma namens het Kristlik Frysk Selskip en een derde, te vragen uit 'de mear folkske en nasjonael-soasialistyske streaming'. Die laatste werd R.P. Sybesma.

   Het Trijemanskip was het produkt van de toen in brede kring gewenste eenheid in de Friese Beweging. Verzet ertegen vanwege de keuze voor samenwerking met Duitsgezinden, was er onmiddellijk van H. Algra. Toen het begin januari 1941 tot een breuk kwam tussen Kalma en Folkertsma enerzijds en Sybesma anderzijds, en de eerste twee besloten samen als Twamanskip verder te gaan, was het dan ook Algra, als enige van degenen die zich er openlijk over uitspraken, die zich over dat besluit verheugde. Hoewel Kalma vaststelde dat de vorming van het Trijemanskip zweemde naar collaboratie, heeft hij haar meermaals verdedigd, eerst uit eigen beweging, later, in 1975, in een felle polemiek met de volgens Kalma te veel uit gereformeerd gezichtspunt oordelende P. Wybenga. Over diens hoofd heen richtte Kalma zich tegen Algra, die de vorming van het Trijemanskip nog eens onder de aandacht had gebracht naar aanleiding van de verschijning van het zesde deel van dr. L. de Jongs Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. In 1978 viel hij op dat onderwerp G.R. Zondergeld aan, toen hij bij diens promotie opponeerde. Hij wees de promovendus erop 'dat er destijds de kans bestond, dat een Duitse zetbaas werd aangesteld en dat wij, door een driemanschap te vormen, de Friese Führer onmogelijk maakten en de halve en hele nazi's de wind uit de zeilen namen'.

   Toen het Twamanskip al in 1942 weinig meer kon uitrichten geen tijdschriften meer, geen vergadermogelijkheden, en dat terwijl de nieuwe richting alle ruimte had schreef Kalma op 6 juni van dat jaar aan dr. G. Gosses: 'laat in Holland vooral merken, hoe de ware situatie is; er is daar een heel verkeerde mening over de Friese Beweging ontstaan.' Eind 1943 viel het Twamanskip uiteen, toen Kalma er geen heil meer in zag. Hij bleef wel voorzitter van het Selskip, een functie waarvoor hij in december 1941 was gevraagd op advies van de pas hoogleraar geworden dr. J.H. Brouwer, die zelf niet wilde. In die hoedanigheid ontwikkelde hij allerlei initiatieven tot meer activiteit (vrucht van eigen studie uit die periode zijn de kroniek van het Selskip in het gedenkboek uit 1949 en de editie, samen met J.H. Brouwer, in 1962, van de briefwisseling tussen H. Sytstra en T.R. Dykstra), en in maart en april 1944 sprak hij tot twee keer toe in anonieme pamfletten zijn ergernis uit over de separatistische neiging van de Bewegingsleiders en riep hij op tot verzet tegen de Duitsers vanuit Friese overtuiging.

   Nadat zijn pleidooi in juni 1945 voor een krachtige zuivering van de Beweging op weerstand was gestuit, onder meer bij J.H. Brouwer, en bovendien was gebleken dat men hem in het Selskip zijn pamfletten kwalijk had genomen, bedankte hij omstreeks augustus als voorzitter. Daarna hield hij zich afzijdig van bestuurlijk werk, al had hij er wel op gerekend dat hij in de redactie zou worden gevraagd van het culturele maandblad It Heitelân, toen dat met ingang van 1946 weer ging verschijnen. Hij bleef echter de Beweging kritisch volgen, die hij te geďsoleerd van de massa vond opereren. Hij wilde dat ze ging samenwerken met niet-Friessprekenden in Friesland die de provincie vooruit wilden helpen, en verweet haar in het algemeen gebrek aan zakelijkheid, kortom: door zijn negatieve benadering isoleerde hij zich van de Beweging. De scheiding werd onherroepelijk in het voorjaar van 1947. Vanaf toen wierp hij zich helemaal op de historische studie.

 
 HOME 

 De dorpen 

 Verenigingen 

 Dorpsblad   HichtePunten 

 Historie




 Inleiding 

 - 1 -     - 2 - 
 - 3 -     - 4 - 
 - 5 -     - 6 - 
 - 7 -     - 8 - 






 Afdrukken?